Direct naar de inhoud Direct naar het hoofdmenu Direct naar het servicemenu Direct zoeken

Validatiekader

Het validatiekader is onderverdeeld in vier validatievragen die door middel van een grondige doorlichting van het kwaliteitszorgsysteem uiteindelijk door de VKO beantwoord dienen te worden.

Het gaat om de volgende vier evaluatievragen:

  1. Is er sprake van voldoende structuur en samenhang in de kwaliteitszorg van de hogeschool (ten aanzien van onderzoek)?
  2. Zijn er voldoende randvoorwaarden voor de uitvoering van de kwaliteitszorg (ten aanzien van onderzoek)?
  3. Worden de onderzoeksevaluaties op deskundige en onafhankelijke wijze uitgevoerd en conform de branche-afspraken hierover?
  4. Worden evaluaties gebruikt voor de handhaving en verbetering van de kwaliteit van het onderzoek en de organisatie?


1. Is er sprake van voldoende structuur en samenhang in de kwaliteitszorg van de hogeschool?

Deze vraag heeft betrekking op de structurele en samenhangende wijze waarop de kwaliteit van het onderzoek binnen de hogeschool wordt bewaakt. Omdat kwaliteit niet los van doelstellingen kan staan, zal voor de VKO allereerst duidelijk moeten zijn wat de missie is van de hogeschool, in algemene zin, maar in het bijzonder ten aanzien van onderzoek. In die missie ligt immers besloten op welke wijze de stakeholders van de hogeschool met het onderzoek worden bediend, tot welk type ontwikkeling en innovatie het onderzoek uiteindelijk moet leiden en welke eisen dit stelt aan aard en omvang van het onderzoek binnen de hogeschool. Dit kan verschillende invullingen en gewichten krijgen naar de sectoren en thema’s waarop de verschillende eenheden binnen de hogeschool zich richten.

Vanuit de van de missie afgeleide begripsbepaling van kwaliteit zal de VKO inzoomen op de wijze waarop binnen de hogeschool wordt gemeten en geëvalueerd of de beoogde kwaliteit ook daadwerkelijk is en wordt gerealiseerd.
Daarbij moet duidelijk zijn welke afspraken binnen de hogeschool gelden, hoe de verhouding is tussen centraal en decentraal en op welke wijze de interne verantwoording plaatsvindt. De relatie met andere kwaliteitszorgterreinen binnen de hogeschool is hierbij ook aan de orde. Hierbij is met name de inhoudelijke en structurele relatie met accreditatie een niet te passeren item.
Ook wordt de organisatiestructuur voor kwaliteitszorg van de instelling bekeken. Het gaat hierbij om de logische samenhang tussen de visie op kwaliteitszorg ten aanzien van onderzoek en de gekozen kwaliteitszorgstructuur.

Ten slotte wordt de hogeschoolplanning in ogenschouw genomen, waarbij de richtlijn is dat elke onderzoekseenheid (lectoraten, groepen en/of kenniscentra) zesjaarlijks wordt geëvalueerd. De hogeschool beredeneert zelf hoe ze een onderzoekseenheid definieert en tot welke indeling dit leidt.

top

2. Zijn er voldoende randvoorwaarden voor de uitvoering van de kwaliteitszorg?

Bij randvoorwaarden voor kwaliteitszorg gaat het om beschikbaarheid van mensen, middelen en tijd, maar ook om bereidheid, deskundigheid en betrokkenheid. Hierbij wordt enerzijds gekeken naar begroting, beleid en maatregelen op papier, anderzijds naar de daadwerkelijke realisatie en beleving in de praktijk, dus de effectiviteit ervan.

De kwaliteit en toereikendheid van deze randvoorwaarden worden beredeneerd vanuit de eigen visie op kwaliteitszorg zoals onder meer bij de 1e evaluatievraag bedoeld. Het gaat hier dus primair om de samenhang tussen de gewenste opzet en uitvoering van kwaliteitszorg enerzijds en de randvoorwaarden anderzijds. De hogeschool heeft dus zelf ook geëxpliciteerd welke kwaliteitscultuur wordt nagestreefd met het oog op optimale betrokkenheid bij de nagestreefde kwaliteitszorg.


3. Worden onderzoeksevaluaties op deskundige en onafhankelijke wijze uitgevoerd en conform branche-afspraken hierover?

Bij deze evaluatievraag zoomt de VKO in op de concrete evaluatiepraktijk van het onderzoek ten aanzien van de onderzoekseenheden in de zin van zelfevaluatie en hierop volgende onafhankelijke evaluaties door commissies. Hierbij neemt de VKO de door de hogeschool uitgevoerde evaluatie-trajecten van een of meer onderzoekseenheden onder de loep.

De VKO zal ten aanzien van deze evaluatietrajecten beoordelen of de in het brancheprotocol gemaakte afspraken worden nageleefd. Dit gebeurt aan de hand van de in hoofdstuk 3 gegeven operationalisatie van die afspraken.

top

4. Worden evaluaties gebruikt voor de handhaving en verbetering van de kwaliteit van het onderzoek en de organisatie?

Bij deze evaluatievraag gaat het om het structurele verbeterbeleid binnen de instelling, met name op basis van de evaluaties van de onderzoekseenheden, zoals bij evaluatievraag III beschreven. Het uitgangspunt is dat deze evaluaties primair gericht zijn op verdere verbetering van het onderzoek, in termen van organisatie, randvoorwaarden, beleid en processen, met als uiteindelijk doel het verder verbeteren van ‘output’ (producten, publicaties, etc) en ‘outcome’ (impact, user-value, etc.). Maatregelen kunnen in eerste instantie de onderzoekseenheid betreffen, maar kunnen (zeker naarmate meerdere onderzoekseenheden zijn geëvalueerd) ook de instelling als zodanig aangaan. Van belang daarbij is dat sprake is van een systematiek waarbinnen de onderzoeksevaluaties worden gerelateerd aan de interne beleids- en verbetercyclus van zowel de onderzoekseenheid als de hogeschool. Die systematiek dient te zijn geëxpliciteerd en uitgewerkt in afspraken. Daarnaast zou traceerbaar moeten zijn welke maatregelen zijn getroffen en tot welke verbeteringen deze inmiddels mogelijk al hebben geleid.

vorige   
kwaliteitszorg voor het onderzoek aan hogescholen