Direct naar de inhoud Direct naar het hoofdmenu Direct naar het servicemenu Direct zoeken

Onderzoeksevaluaties

Zesjaarlijkse evaluaties van onderzoekseenheden
Het hart van het kwaliteitszorgstelsel, zoals dat vanaf januari 2009 operationeel is, wordt gevormd door zesjaarlijkse evaluaties van onderzoekseenheden door externe en onafhankelijke deskundigen. Deze evaluaties worden – net als bij de universiteiten - onder de eigen verantwoordelijkheid van de hogeschool uitgevoerd. De hogeschool is immers verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderzoek en daarbij hoort ook de eigen verantwoordelijkheid voor het evalueren, bewaken en verbeteren van de onderzoekskwaliteit. Tegelijkertijd is het voor de stakeholders van het onderzoek, als ook voor een goede positionering van dat onderzoek, belangrijk dat het evalueren en verbeteren transparant, onafhankelijk en deskundig plaatsvindt. Daartoe zijn criteria vastgelegd voor de opzet en uitvoering van deze evaluaties, die betrekking hebben op de systematiek, de eenheid en frequentie van de evaluaties, de daarbij te evalueren onderwerpen en de samenstelling van de evaluatiecommissies.

Evaluatietraject
Het evaluatietraject vangt aan met een zelfevaluatie. Het zelfevaluatierapport moet een feitelijk beeld geven van de onderzoekseenheid in termen van doelen, organisatie, samenstelling, activiteiten en resultaten. Daarnaast zal het rapport antwoord moeten geven op een aantal kritische vragen ten aanzien van het realiseren van eigen doelstellingen. Op basis van deze zelfevaluatie, eventueel aangevuld met andere door de instelling relevant geachte rapportages, gaat de externe onafhankelijke evaluatiecommissie het gesprek aan met de onderzoekseenheid en diens stakeholders. In de uiteindelijke openbare rapportage van deze commissie worden zowel de wetenschappelijke deugdelijkheid van het onderzoek als de betekenis voor onderwijs, beroepspraktijk en maatschappij beoordeeld.

Vijf evaluatievragen
Concreet zal de evaluatiecommissie elk van de volgende vijf evaluatievragen beantwoorden:

  1. Is er voldoende relevante productiviteit, impact, waardering en erkenning op het gebied van:
    • kennisontwikkeling binnen het onderzoeksdomein;
    • valorisatie naar beroepspraktijk en maatschappij;
    • de betekenis voor onderwijs en scholing?
  2. Vindt een en ander plaats vanuit een relevante en uitdagende missie en een helder onderzoeksprofiel?
  3. Worden de missie en het onderzoeksprofiel geborgd door het portfolio en de wijze waarop de eenheid is georganiseerd?
  4. Is de inzet van mensen en middelen daarbij toereikend in kwalitatief en kwantitatief opzicht?
  5. Zijn de interne en externe samenwerkingsverbanden, netwerken en relaties daarbij voldoende relevant, intensief en duurzaam?
vorige   
kwaliteitszorg voor het onderzoek aan hogescholen